KRANTENLOPEN

 

 


 

Ik ben nog steeds een fervent krantenlezer. De fysieke welteverstaan. Met die onhandig grote pagina’s. Heerlijk. Dat komt ongetwijfeld uit mijn jeugd. Mijn beide oudere broers liepen de ochtendkrant. Dat wilde ik ook. Krantenlopen. Zo noemden we dat. Terwijl de fiets toch echt het werk deed.

Zelf geld verdienen. Eigen wijk. Eigen verantwoordelijkheid. Alleen… ik was twaalf. Eigenlijk te jong. Toch lukte het. Ik kreeg een klein wijkje in een nieuwbouwwijk in aanbouw. Twee flats, verder vooral zand en grote vijvers.

 April 1973.

Er trok een storm over Nederland. Windkracht 8, misschien wel 9. Tijdens het eten keek mijn moeder bezorgd op. 'Is het wel verstandig dat Fonsje morgenvroeg op pad gaat?’

Dat schoot bij mij in het verkeerde keelgat. Storm of niet, ik had een wijk. Maar de oplossing lag snel op tafel: mijn broer Theo zou met me meegaan. Ik hem helpen, hij mij.

De volgende ochtend. Zes uur. Kranten verdelen over de fietstassen. Mijn fiets leek wel een dubbele zijspan. Ik kon ’m nauwelijks in bedwang houden. We fietsen samen richting de eerste flat. Die bij de vijvers. Wind in de rug. Lekker. Dacht ik.

Totdat de wind vat op me kreeg. Of beter: op mijn fietstassen. Trappen had geen zin meer. Remmen ook niet. De storm nam het over. Ik werd vooruit geblazen. Recht op de vijver af. Geen houden aan.

Nog 50 meter. De rand komt dichterbij. ‘Theo! Help!’ Nog 20 meter… Theo ziet het. Twijfelt geen seconde. Komt naast me rijden en geeft met volle kracht een trap tegen mijn voorwiel. Pats. Boem. Daar lag ik. Kranten door de lucht. Mond vol zand. Maar droog.

De volgende dag was de storm gaan liggen. Ik niet. Gewoon weer krantenlopen. Alleen.

Reacties

Populaire posts van deze blog

VIERDUIZEND EN EEN.