ZEGGEN WAT JE DENKT
Op een prachtige lentedag beland ik op het terras van Café De
Merckt. In de schaduw, krant erbij. Klaar om hem van voor tot achter, en weer
terug, door te nemen.
Maar dat feestje gaat niet door.
Een vitale man van een jaar of zeventig ploft neer aan het
tafeltje naast me en er ontsnapt een diepezucht. Korte broek. Witte lentebenen.
Gymschoenen. Blauw T-shirt met een NS-logo.
Typische dagtoerist. Waarschijnlijk.
Ik probeer me te verdiepen in lokale politieke twisten, als hij
begint te praten. Dacht ik..
‘Hoe lang is het lopen naar het station? Welke kant moet ik op?’
Ik draai me naar hem toe om te antwoorden, maar zie dat hij in
zijn rugtas graait terwijl hij tegelijk zijn veter probeert te strikken. Ik
besta niet. Niemand bestaat.
Hij praat niet tegen mij.
Hij praat hardop.
‘Ik denk dat ik een koffie neem. Zwart. Met veel suiker.’
Ik kijk hem aan. Hij kijkt nergens naar. Nog steeds in gevecht
met zijn schoen.
‘Potverdorie… rotveter. Mijn ogen worden ook niet beter.’
Moet ik hier iets mee?
Mijn favoriete serveerster loopt langs en neemt bestellingen op.
Ze mist hem.
‘Vergeten ze mij nou? Ik wil koffie. Zwart. Met extra suiker.
Hoe pak ik dat aan?’
Hij zegt het niet tegen mij.
Niet tegen haar.
Gewoon… tegen de wereld.
Ik trek het niet langer.
‘Quincy, deze meneer wil ook graag wat bestellen.’
Ze reageert meteen. De koffie komt. Zwart. Met veel suiker.
Hij roert. Kijkt nog steeds nergens naar.
‘Attente man, die naast me. Nu de weg naar het station nog
vinden.’
Ook dat was niet voor mij bedoeld.
Maar ik heb het toch maar even uitgelegd.
Zeggen wat je denkt.
Niet altijd verstandig.
In dit geval wel.

Reacties
Een reactie posten