RONDJE VAN GERARD.

 


Als zestienjarige puber was ik een verdienstelijk voetbalspeler in de jeugd van Roodenburg, Leiden. Ondanks dat ik geen exceptioneel talent was maakte ik de "transfer" naar SJZ. Op verzoek van een paar vrienden welteverstaan. Dat had anders gekund..

Twee keer per week op mijn paarse Puch bromde ik naar Zoeterwoude. Langs de Heineken fabriek richting het "SJZ Stadion" tussen de groene weilanden. Het voelde als thuiskomen. 

Trainen, douchen, biertje. Helemaal leuk.

Ook sportief stonden we ons mannetje. Niet dat we de regio domineerden maar onze tegenstanders vreesden ons altijd met grote vrezen.

Onze spil was Gerard, teamleider én trainer. Met bierbuik en baard stond hij trouw langs de lijn. Zijn geheime wapen? Het “rondje van Gerard”. Na zo’n traktatie groeiden we altijd een klasse boven onszelf uit.

Ik zie ons elftal nog zo vóór me. Guus, onze sterke bonkige spits. Ik paste er wel twee keer in. Elke keeper lag er nachten lang wakker van.                                                                                                  Dirk Jan was onze rots in de verdediging. Lang, flegmatiek en onverschrokken. Zekerheidje. En ik.... als, toen nog, watervlugge rechtsbuiten. 

Mijn debuutwedstrijd voor SJZ was meteen tegen mijn oude club Roodenburg. Daar stond ik oog in oog met mijn directe tegenstander: Ronnie. Klein, fel, een kuitenbijtertje. Een echte Leienaar. Elke tackle ging vergezeld van die rollende R die over het veld galmde.

De wedstrijd begon. Dirk strooide met passes op maat. Rechtop. Een tweede Beckenbauer!  Guus was heer en meester in het strafschopgebied van de tegenstander.                                                                   En ik....? Ik had het lastig. De eerste helft was een martelgang. Waar ik ging, daar dook Ronnie op. Tot Gerard ingreep. In de rust, tussen thee en shag, klonk zijn simpele tactiek: 

“Dirk, lange ballen op Fons. En jij Fons, rennen! Laat die pitbull niet bij je komen.”

Zo gezegd zo gedaan. 

 En het werkte. Lange passes, ver vooruit. Ik sprintte, Ronnie hijgend erachteraan, tot hij niet meer kon. Zijn tong op zijn schoenen.

Toen greep de trainer van Roodenburg in: “Ronnie! Blijf bij die gozer! Rennen met je luie flikker!”

Waarop Ronnie zich omdraaide en met die onvervalste Leidse tongval terugbrulde:

“Ik heb geen motortje in m’n reet, hoorrrr!”

Gewonnen? Ik weet het echt niet meer. Met een rollende "R" bromde ik op mijn paarse Puch voldaan naar huis. Na "het rondje" van Gerard!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

WHAT'S IN A NAME.

IK WOON IN EEN POSTKANTOOR!

BOKBIERTJE.