HIKING NIEUW ZEELAND

 

We zijn weer vroeg wakker. Er komt nog geen daglicht door de ramen van onze camper en de camping slaapt nog diep. Maar wij niet. Wij hebben plannen.

Met wandelschoenen, wollen sokken, stokken en een rugzak vol water en brood stappen we naar buiten. Een mooie track wacht op ons. We gaan de berg op, richting de Franz Joseph Gletsjer. Vijf kilometer heen, vijf kilometer terug. Dat moet kunnen. Volgens de planning doen we er vijf tot zeven uur over.

We starten door een dicht bos van hoge bomen en varens die bijna tropisch aanvoelen. We steken wild stromende beken over en lopen over smalle bruggen die boven angstaanjagende dieptes hangen. Het is spannend, maar het gaat goed.

 Hoe hoger we komen, hoe meer het landschap verandert. De varens maken plaats voor rotsen en losse stenen. Jonge sportievelingen, later gestart dan wij, halen ons soepel in. Wij klimmen verder. De ene steile passage volgt op het andere glibberpad. Ruggen worden nat, spieren gespannen.

‘Schat… we moeten straks ook weer terug hè.’

Ze kijkt me aan. ‘Nu even niet aan denken. Eerst naar boven. Het is nog maar een stukje.’

Dat laatste stukje blijkt nog een goed uur te duren.

Boven belanden we in een andere wereld. Een stuk of dertig jongeren zitten zwijgend bij te komen, Tupperware-bakjes met pasta van gisteren op schoot. Niemand zegt veel. Iedereen kijkt. Naar de gletsjer. Naar het zonlicht dat ineens doorbreekt. Naar de stilte die daarboven bijna tastbaar is.

Wij hebben er vier uur over gedaan om hier te komen. En ergens weten we al dat naar beneden niet sneller zal gaan.

Na een broodje en een slok water beginnen we aan de afdaling. 

Het miezert inmiddels. De rotsen veranderen langzaam in glijbanen. Ik loop voorop, Cora volgt in mijn voetsporen. We zetten elke stap bewust, zoeken grip, zoeken balans.

En dan gaat het mis.

Mijn voeten verliezen houvast. Ik val achterover en voel hoe ik langzaam de steile helling afglijd. Het is geen harde smak, geen spectaculaire duik maar een glijden dat maar niet stopt. Tijd lijkt uit te rekken.

Tot er ineens een struik is.

Die houdt me tegen.

Ik lig stil, met mijn hoofd naar beneden gericht. Boven mij zie ik Cora staan. Ze kan niet bij me. In haar ogen zie ik schrik zoals ik die niet vaak heb gezien.

‘FONS!!!’

Achter ons verschijnt een Duits meisje dat ook naar beneden loopt. Tengere bouw, vastberaden blik. Met behulp van mijn wandelstokken en meer kracht dan je haar zou toedichten, helpt ze me terug het pad op. 

We kijken elkaar aan.  Bloed. Zweet. Tranen. Opluchting.


 Uiteindelijk bereiken we het dal. Ongedeerd, maar leeg. Alsof alles eruit is gelopen. Er wacht ons nog een laatste stuk van een half uur naar de parkeerplaats.

Daar ontmoeten we een Engels echtpaar. Ze kijken ons aan en vragen of we de hele track hebben gelopen.

‘Jazeker,’ antwoorden we.

We raken in gesprek. Over de klim. Over de afdaling. Over glijpartijen en natte rotsen en jongeren met knieën van staal. Al pratend lopen we samen verder. Zij vertellen hun verhaal, wij het onze.

En ongemerkt wordt dat gesprek een soort reddingsboei. De laatste kilometers worden lichter. Niet omdat ze korter zijn, maar omdat ze gedeeld worden.

Voor we het weten staan we bij de parkeerplaats.

Moe. Leeg. Maar dankbaar.

Soms heb je geen kortere weg nodig.

Alleen iemand die een stukje met je meeloopt.

Pffff…

Reacties

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog

WHAT'S IN A NAME.

IK WOON IN EEN POSTKANTOOR!

BOKBIERTJE.